olifantwolk

Olifant

Ik lig in het gras en staar naar het plafond van moeder Aarde onder mij; een helderblauwe hemel met af en toe een likje wolk, belicht door de zomerse zon. Wolken komen in alle vormen en maten, en soms lijken ze (afhankelijk van je fantasie) op iets anders dan een wolk alleen. Bijvoorbeeld een donzig konijn, een autobus of het haar van Donald Trump.

De wolk die boven mij hangt, heeft twee grote ronden vormen met een lange kromme slang in het midden. Voor mij lijkt deze wolk op de olifant die vroeger de verhaaltjes kwam uitblazen en de olifant van de Rolo reclame. De doordenker waarvan het brein overloopt van seksuele gedachtes zou hier ook een grote penis in kunnen zien -ik doe dat ook. Misschien is de olifant in de lucht ook wel een grote lul en zijn beide interpretaties juist.

De rust heerst en de olifant marcheert door het luchtruim alsof het zijn eigen dierentuin is. Trompettert zorgeloos in stilte met zijn slurf gemaakt van een heleboel waterdruppeltjes en hoeft ze nergens zorgen over te maken, want hij is maar een wolk, maar tegelijkertijd ook weer zoveel meer.

Ik probeer even nergens aan te denken. De rust en de stilte brengen me op een fijne plek onder de zon waar ik mij nergens druk om hoef te maken. Ik hoef nog niet te denken of ik onder de grond kom waar ik nu op lig, of word gestrooid in de lucht die ik nu inadem. Geen zorgen te maken hoe mensen mij zien of interpreteren; als ze me zien als olifant, een gigantische lul of gewoon Stefan.

De wind komt en neemt de olifant mee, voordat we überhaupt fatsoenlijk afscheid hebben kunnen nemen, en geeft mij mijn zorgen terug in de vorm van een koud briesje.

LC – Nest bevuilen

“Zou je dat wel doen?”, vraag ik aan het meisje, hooguit een jaar of 19, voor me. In de ene hand draagt ze een biertje, in de ander een sigaret. Ze trekt haar wenkbrauw op, brengt de sigaret naar haar mond, inhaleert en antwoordt mij: “Tuurlijk, waarom niet?”, terwijl ze de rook uitblaast. Ik wijs naar haar buik. “Daarom.”

Die avond was ik in een club, waar ik eigenlijk te oud voor ben, met een meisje tegenover mij die te jong leek om moeder te worden. Aan haar buik te zien was ze al een mooi eindje op weg. Of ze had van zichzelf al een dikke buik.

Zij was alweer vertrokken en hoorde ik haar verder op zeggen: “Waar bemoeit die gast zich mee?” Inderdaad, waar bemoei ik mij mee. Wie ben ik als ‘gast’ om haar aan te spreken op haar rookgedrag, terwijl ik er zelf ook stond te roken. Wie ben ik om te oordelen over hoe zij omgaat met haar zwangerschap?

Ik snap dit soort vrouwen -in dit geval dat meisje- niet. Het soort dat stug door blijft roken tijdens de zwangerschap. Het was niet de eerste keer dat ik er eentje zag en het zal ongetwijfeld ook niet de laatste keer zijn. Vaak komen deze vrouwen met excuses als ‘ik kan echt niet zonder een sigaret’ en ‘als ik niet rook, stress ik té veel en dat is ook niet goed voor de baby.’

Dan denk ik van: flikker toch op met je zielige excuus. Je verdient een schop onder je hol. Een zacht, corrigerend schopje. Kun of wil je niet in zien dat die dingen slecht zijn voor je ongeborene? Het idee dat een vrouw die zo denkt een kind op moet voeden doet mij dan ook een beetje zeer. Oké, haar rook- en de alcoholgedrag heeft misschien weinig te maken met hoe zij als moeder haar kind gaat opvoeden, maar de mok met ‘beste moeder van de wereld’ verdient ze bij voorbaat al niet.

Nee, als je als moeder je eigen leed boven het leven van je ongeboren kind verkiest, dan vind ik je een hele slechte moeder. Voor het kind, en de moeder, hoop ik dat hij of zij gezond ter wereld komt en dat ik mij nergens om druk heb gemaakt. Wie weet komt de moeder zelfs nog tot het besef om te stoppen met roken en alcohol.

Later op de avond zag ik haar weer aan de bar staan. In haar linkerhand een sigaret, in de rechter een nieuw biertje. Domme trut.

Paardenrevolutie

CONCEPT 2220

 

Soms vraag ik mij wel eens af: wat zou het paard anno 1790 hebben gedacht toen de mens de loopfiets ging gebruiken? Zou hij zich hebben gerealiseerd dat dit het begin van het einde van de paard als vervoersmiddel zou zijn; dat de industriële revolutie hem en zijn mede paarden uiteindelijk de das om zou doen en dat de meesten van een ander baantje moesten gaan zoeken. Dat ze zouden degraderen van edel dier naar een hobbydingentje voor eenzame vrouwen met teveel vrije tijd en eelt op hun vagina. Of dat ze hun eigen serie zouden krijgen in de vorm van My Little Pony, een serie gericht op jongen kinderen, maar die nu veelal gebruikt wordt als masturbatiemateriaal voor de thuiswonende dertigplusman. 

Het zwaard van Arthur

De duikplank staat minstens vijf meter boven het water, misschien zelfs wel zes. Gevoelsmatig lijkt het eerder 370.300 kilometer. Dat is de zelfde afstand tussen Maan en Aarde, of in dit geval: plank en water. Van zo’n afstand (als deze nou vijf meter of 370.300 kilometer is) lijkt het water net beton en is het in staat om elke broos botje in je lichaam te vernachelen. 

Bungeejumpers, parachutisten, duikers; ik snap geen hol van ze. Dat je je voor je plezier meters naar beneden laat storten. Het is niet dat ik hoogtevrees heb, ik noem het liever ‘een onbegrensde haat voor hoogtes’. En ik weet dat ik hier niet alleen in ben. Waarschuwde de bijbel ook niet over hoogtes?

En waarom hebben we zoveel flatgebouwen? De wereld kent gigantische kale vlaktes waarop plek zat is voor gewone rijtjeshuizen van normale hoogte. En welke halffabricaat dacht dat het een goede idee was om een bed op een bed te plaatsen? De idiotie!

Ochtendglorie – ‘Beren’ 1.0

Er verscheen licht door de kieren van de schuur. De ochtendzon deed zijn intrede, wat betekende dat de nacht voorbij was. Sloddervos Marcus lag nog vredig te slapen op zijn smerige matras. Een geur van zelfgestookte sinas in combinatie met struisvogeleieren in frituurvet hadden er voor gezorgd dat Marcus in zijn slaap had overgegeven. De damp kwam nog van het braaksel af en stukjes onverteerde gummyberen leken zich prima te vermaken in de plas van maagzuur.

Enkele uren gingen er voorbij totdat Marcus zijn ogen opende. Hij haalde zijn neus op – ‘Kolere zeg, wat meuren die eieren’ – likte zijn tanden schoon en wist alweer hoe laat het was. Enkele centimeters van waar hij net nog met zijn hoofd had gelegen, lag een poel van maagsappen. Marcus keek er bedachtzaam na, haalde zijn schouders op en pakte een gummybeer die zijn maag niet had kunnen verteren. ‘Je moet proberen het beste uit elke situatie te halen Marcus’, sprak hij zich toe, ‘anders haal je het niet in dit leven.’

Vandaag was het eigenlijk wasdag voor Marcus alleen had hij daar niet zoveel zin in. Hij ging liever de hele ochtend plaatjes van beren bekijken. De vieze jongen was gek op beren, maar in zijn hele leven had hij er nog nooit een in het echt gezien. Marcus vond dat je best gek op iets kon zijn wat je nog nooit in het echt gezien, want heel veel mensen waren ook fan van God en Jezus. Toch dacht hij – net als sommigen dachten Christus te hebben gezien in een stuk brood – ooit een echte beer te hebben ontmoet. Ook al is die gedachte van toen, niet meer dan een grappige anekdote van nu.

Marcus, toen een kleine jongeman van negen jaar, moest een paar dagen logeren bij zijn tante Klaartje. Tante Klaartje woonde vlakbij het bos en had wel iets weg van een dier wat voorkwam in het bos: het wilde zwijn. Ze liep namelijk ook vaak op vier poten en at het liefst van de grond.

Het was altijd een hel voor de kleine, nog niet zo smerige als nu, Marcus om bij zijn tante te moeten slapen. Er was niks te doen; ze had geen televisie, geen lekkernijen en het enige stuk speelgoed dat ze had was een jojo zonder touwtje. Verschrikkelijk dus. Maar de verloren tijd bij zijn Tante Klaar zou eindelijk terug gewonnen worden toen de kleine avonturier iets in het bos hoorde. Dat zou het moment worden dat hij zijn eerste, echte beer zou gaan zien. Hij wist het zeker.

Vreselijke klanken echoden door het bos. Marcus holde er op af en struikelde binnen enkele meters al over een dode egel. De egel was al flink aan het opgaan in de natuur en het beetje organen wat nog over was gebleven zat nu tot aan de enkel van Marcus. ‘Dat maak ik later wel schoon’, dacht hij en dertien dagen later had hij dat ook gedaan.

Het geluid wat nog steeds goed hoorbaar was, kwam de berenliefhebber bekend voor; zijn moeder kon namelijk ook zo krijsen als ze bezoek kreeg. Marcus werd dan altijd naar de schuur gestuurd, maar zelfs daar kon hij haar nog horen. Hij werd een beetje naar bij de gedachte aan zijn moeder en moest even stop met lopen.

Snel vervolgde hij zijn tocht weer en rende alsof zijn leven er van afhing. Tak naar tak kwamen op hem af. Behendig wist hij ze allemaal te ontwijken. Het geluid werd steeds heviger en nu wist Marcus zeker dat hij in de buurt was van de bron. Hij associeerde het geluid niet langer meer met dat van zijn moeder en was nu vastberaden: hij zou een beer gaan zien.

Marcus zijn ogen schoten vol. Vier meter van hem af, op een grote open plek in het bos, stond een beer van wel twee meter groot. De rug van de beer zat vol met bruin krullend haar. Wat Marcus op viel was dat er hier en daar veel kale plekken zaten. ‘Dat moeten vast wonden zijn van alle beergevechten die deze beer heeft gehad’, bedacht Marcus. Hij hoorde hoe de beer gromde – dat klonk een beetje als ‘Hmm, ja. Ja, hmm’ – en zag hoe zijn bekken hard heen en weer gingen. Het geluid waar Marcus op af was gekomen kwam voor de beer vandaan. ‘Wat was er hier allemaal aan de hand?’

De kleine berenfan wist zich geen raad en piste in zijn broek. ‘Kut, dit is mijn enig goeie broek’, schold Marcus als reactie op zijn eigen angstreactie. Het gekrijs hield op. De beer bewoog zijn bekken niet meer en draaide zijn berenkop om. In zijn gezicht zaten ook allemaal kale plekken. Marcus dacht dat hij hier zou sterven. Maar dan zou hij gelukkig sterven, dacht hij bij hem zelf, want dat had hij tenminste een beer in het echt gezien.

‘Oh kut, Marcus wat doe jij hier.’ De stem kwam Marcus bekend en kon maar van een iemand zijn: Tante Klaartje. Zijn tante kwam voor de beer vandaan met het schaamrood op haar kaken en haar ondergoed aan haar enkels. Ze trok snel haar onderbroek weer naar boven zodat deze haar behaarde kruis weer kon bedekken. De blosjes op haar wangen trokken weg. Ze stelde de beer voor en zei dat zijn naam Boris was.

 

 

Werken in de supermarkt, vergooien van de toekomst.

“Je vergooit je leven, je toekomst.”menig man in de twee jaar dat ik werkzaam was in een supermarkt.

Toen ik achttien jaar was, en dat is nu bijna alweer vier jaar geleden, solliciteerde ik voor een bijbaantje bij de supermarkt Jumbo; de geel gekleurde winkel met de laagste prijsgarantie. Ik werd aangenomen en rond die tijd besloot ik ook om te stoppen met mijn eerste opleiding. Het bijbaantje werd een vaste baan, met in mijn achterhoofd dat ik datzelfde jaar in september weer zou beginnen met een andere studie.

De reacties die ik hierop kreeg waren allemaal vrijwel hetzelfde: “Een halfjaartje werken is misschien wel goed voor je, dan kun je even lekker verdienen en daarna weer met iets nieuws beginnen.” Men voegde daar altijd aan toe, met de goede bedoelingen, dat ik daar niet moest blijven hangen en mijn leven zou vergooien. Of ik moest uiteindelijk supermarktmanager worden, dat zouden de mensen dan nog wel accepteren.

“Je moet wel weer gaan studeren hoor, je beschikt over zoveel capaciteiten. Er zit veel meer in je.”de mensen met de goede bedoelingen

Een half jaar werken ging in rap tempo voorbij. Eind augustus maakte ik een last-minute beslissing om weer te gaan studeren. Ik hield in mijn hoofd dat het moest. Dat het moest van mijzelf en van mijn omgeving. Dat het van mij verwacht werd dat ik een beroepsdiploma zou halen, dat ik wat van de wereld ging zien en dat ik een boven modaal inkomen zou hebben.

De tweede poging tot studeren liep volledig in het water. Het ging niet goed met mezelf en het ging niet goed op school; de motivatie was nergens te vinden en ik wou niks liever dan weer stoppen met de opleiding. Weer ruilde ik de schoolbanken en colleges om voor stellingen en vulcontainers. En toen kwamen de opmerkingen weer: “Vergooi je leven niet in een supermarkt.”

Nooit heb ik gedacht dat ik de rest van mij werkzame leven zou slijten bij een supermarkt. Toch vond ik die reacties niet altijd even fijn. Ik voel mij zelden beledigd, maar toch stak het mij ergens wel. Ik zag het niet zo snel als een aanval op mijzelf, maar vooral als een aanval op mijn collega’s. De mensen die wel hun leven ‘slijten’.

En wat is er nou eigenlijk mis met werken in de supermarkt? Het verslaat nog altijd thuis zitten en van een uitkering leven. En vanwaar het idee dat een goede opleiding gelijk staat aan een goed leven. Niet iedereen hoeft maar het beste van het beste te kunnen. De wereld zit niet te wachten op alleen maar dokters, docenten en directeuren. De wereld kan niet zonder de groenteman, de slager en de vakkenvuller in de supermarkt.

Het werk lijkt op het eerste gezicht natuurlijk niet heel geweldig; je verdient er niet het meeste mee, vaak sta je te blauwbekken in de koelingen en dan heb je de uiterst, vervelende klanten nog die het bloed onder je nagels vandaan halen. Vaak wou ik om die redenen ook al eerder vertrekken, maar toch kent het werk ook vele positieve kanten.

De blije en opgeluchte gezichten als je aankomt zetten met het gewenste, het meemaken van andermans voorbereidingen voor de feestdagen, de vaste klanten die soms te lang bleven hangen, maar die kwamen voor jou en de gratis koffie. De collegialiteit, de kassavrouwen die moederlijk advies geven, de proeverij van de slager, de gesprekken met de groenteboer, het ouwehoeren met de vulploeg. Het gevoel van saamhorigheid en dat je er iets tot toe doet. Ook al is het maar iets kleins zoals het spiegelen van de potjes.

Dus wat als ik nou om die redenen gewoon bij de supermarkt was gebleven, had ik dan iedereen teleurgesteld? Had ik dan mijn leven op dat moment vergooit en zou er niks meer van me worden?

“Ben je daarom gestopt met het werken in de supermarkt?” misschien iemand

Nee, zoals ik eerder heb aangegeven: ik zag geen toekomst in het supermarktleven. Ik was toe aan iets anders. Ik wou van andere vruchten proeven, wat van de wereld zien en uiteindelijk wel weer een studie oppakken. En iets anders werd het. Vruchten werden geproefd, ik sloeg een andere weg in en ging journalistiek studeren. De plannen om wat van de wereld zien werd echter de wereld tot Zwolle, maar dat is misschien iets voor in de toekomst. De toekomst waarin ik mijn leven niet heb vergooid.